change language


Een eeuw grafheuvelonderzoek door het Rijkmuseum van Oudheden

door Luc Amkreutz (conservator prehistorie RMO)


‘…niet slechts de urn er uit te graven, maar zooveel mogelijk zijne geschiedenis vast te stellen…’

Grafheuvels spreken al eeuwen tot de verbeelding. Oude heuvels blijken vaak generaties later nog gebruikt voor nieuwe bijzettingen en het landschap eromheen werkte als een ware magneet op het aantrekken van allerlei, al dan niet, rituele activiteiten. Een goed voorbeeld daarvan vormen de zogenaamde galgenbergen waar misdadigers werden opgehangen in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Daarnaast duiken de heuvels regelmatig op in allerlei lokale mythen en verhalen. Het spookte er ‘s nachts, er zouden lichtjes branden, en niet zelden was er een pot met goud begraven.

Als een van de weinige zichtbare monumenten uit de Nederlandse Prehistorie en door de vele verhalen, trokken deze heuvels natuurlijk al vroeg de aandacht en helaas gingen ze meer dan eens op de schop, op zoek naar snel fortuin, of gewoon uit nieuwsgierigheid. Een mooi voorbeeld van deze graafdrift vormt een citaat van Verbeek en Van Gortel in ‘De Geschiedenis der Neder-Veluwe’, deel 1 (1888): ‘…Dat zoeken naar oudheden is inderdaad een genot. Ge weet, urnen zijn gewoonlijk onder heuveltjes te vinden; alle heuveltjes zijn evenwel bij lange na geen lijkheuvels. Ge zocht dus zoowat op goed geluk af. Spoedig is te zien of de heuvel u kans biedt iets te zullen vinden. Is de donkergekleurde bovenlaag en het witgele zand daaronder scherp van elkaar gescheiden, zoek dan maar niet verder: deze heuvel is niet door menschenhanden opgeworpen. Zijn daarentegen de donkere grond en het witte zand vermengd, geef dan den moed nog niet op; ge hebt kans iets te zullen vinden. Daar stoot de spade op iets hards…’

Gelukkig vormden ze, deels om dezelfde redenen, ook in de beginfase van het archeologisch onderzoek een van de speerpunten van de wetenschappelijke interesse. Een belangrijk aandeel hierin vormde het onderzoek door het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden. Opgericht door Koning Willem I in 1818 bevond het museum zich in haar beginjaren in een klimaat waarin over heel Europa het besef groeide dat het verleden belangrijk was en beschermd en bewaard moest worden voor de toekomst. Deze prille interesse richtte zicht vooral op mooie objecten afkomstig uit de klassieke wereld en Egypte en iets later het Nabije Oosten. De Nederlandse oudheden kregen pas aan het eind van de 19de eeuw meer aandacht en vormen sindsdien een belangrijk onderdeel van de collectie.

Holwerda en heuvels

Hoewel Caspar Reuvens als eerste directeur van het RMO al in 1827 opgravingen verrichtte op Forum Hadriani bij Voorburg, was het vooral de jonge Jan Hendrik Holwerda die het onderzoek op eigen bodem en in het bijzonder van de Prehistorie naar een nieuw niveau tilde. Ondanks zijn klassieke achtergrond oefende hij zich door middel van literatuur, binnenlandse reizen en bijvoorbeeld Duitse veldpractica (o.a. bij Schuchardt in Haltern) en zou met deze kennis vanaf 1905 een belangrijke rol vervullen in het Nederlandse veld.

Al vrij vroeg stond een eerste grafheuvelopgraving op het programma. Holwerda werd namelijk door Koningin Wilhelmina uitgenodigd een opgraving te verrichten in het Vanenbosch op een kroondomein bij Hoog-Soeren. In 1906 schrijft Holwerda: ‘Er liggen echter nog verscheidene heuveltjes, waarvan één op een 80 meter van den grindweg, speciaal de aandacht van H.M. de Koningin had getrokken, zoodat H.M. ondergeteekende opdroeg daar een onderzoek in te stellen.’ Al bij die eerste heuvel bleek dat het Holwerda om meer dan alleen de ‘goodies’ging: ‘…d.w.z. niet slechts de urn er uit te graven, maar zooveel mogelijk zijne geschiedenis vast te stellen…’

Holwerda’s waarnemingen in het veld, waren voor die tijd vrij nauwkeurig, zo viel het hem op dat de heuvels mogelijk in een onbegroeid terrein waren opgeworpen vanwege de dunne onderliggende humuslaag. Tevens filosofeerde hij uitgebreid over de verschillende aspecten van het bijzettingsritueel: ‘Dat het niet bepaald bij de plechtigheid behoorde, dat de lichaamsresten alle werden verzameld, doch dat dit maar als bijzaak vrij onnauwkeurig gebeurde, blijkt daaruit, dat vele resten in de brandplek zijn achtergebleven en dat van het lijk, dat op den grooten heuvel werd verbrand, slechts een zeer gering deel in de betrekkelijk kleine urn is gestoot, terwijl verscheidene stukken waarschijnlijk in een doek verzameld (blijkens het ineengedrongene, compacte van dezen klomp beenderen en asch) werden ingegraven.’

In de hierop volgende jaren groef Holwerda regelmatig heuvels op, onder meer in Nierssen, alwaar hij de eerste gedocumenteerde blokberging van een graf verrichtte, Vaassen en Emst op de Veluwe en bijvoorbeeld aan het Uddelermeer en legde daarmee een stevige basis voor het Nederlandse grafheuvelonderzoek. Dit deed hij niet alleen door zijn opgravingen, maar ook door de vondsten vrij snel te publiceren in de Oudheidkundige Mededeelingen van het museum en onder aandacht van het publiek te brengen in diverse tentoonstellingen. In zijn archeologische interpretaties van de heuvels bleef Holwerda jammer genoeg vrij star. Zo geloofde hij niet in een Bronstijd en hield vol aan zijn koepelgraftheorie, geworteld in zijn eigen klassieke opvoeding en Myceense parallellen. Zijn ideeën over de vorm, inrichting en constructie van grafheuvels werden nog tijdens zijn leven grotendeels weerlegd. Desalniettemin mogen we Holwerda’s inzet, enthousiasme en gedrevenheid niet onderschatten. Vanuit het RMO creëerde hij zoals gezegd een belangrijk fundament

Ontwikkeling van een traditie

In 1912 wordt Van Giffen aangesteld bij het Rijksmuseum van Oudheden, maar zijn standvastige karakter botste al gauw met dat van Holwerda en Van Giffen vertrok. Vanuit het Groningse Biologisch-Archaeologisch Instituut, verrichtte hij vooral opgravingen in het noorden van Nederland en ontwikkelde daarbij belangrijke technisch-wetenschappelijke methoden, zoals de bekende kwadrantenmethode waarbij de profielen en een kwadrant gespaard werden. Deze methode, waarbij dus een maximale hoeveelheid informatie intact blijft wordt nog steeds toegepast. Door zijn natuurwetenschappelijke achtergrond doorzag Van Giffen ook het belang van milieureconstructies, monstername en analyse van faunaresten en zaden, geologie en later de C-14 analyse.

In Leiden onderving Bursch de veldtaken van Holwerda. Bursch was in 1933 in Duitsland gepromoveerd op een proefschrift over de bekercultuur in Nederland, waarbij hij pleitte voor meer onderzoek naar de grafvormen en grafgebruiken in de Europese Prehistorie. In zijn jaren bij het RMO groef hij dan ook regelmatig grafheuvels op in verschillende delen van het land en correspondeerde uitgebreid met collega’s in binnen- en buitenland. Bursch groef onder andere (samen met Holwerda) delen van het vorstengraf van Oss op en was eerder al aanwezig geweest bij de berging van de situla met zwaard. Door de voortdurende animositeit tussen Van Giffen, Holwerda en later Bursch en de keuzes van de laatste aan de vooravond van de tweede wereldoorlog, wordt het einde van een tweede fase van onderzoek ingeluid.

Na de tweede wereldoorlog zijn het met name professor Modderman van de Universiteit Leiden en professor Glasbergen uit Amsterdam die het onderzoek naar grafheuvels voorzetten. De grafheuvels vormden vaak een dankbaar onderwerp voor de veldpractica van studenten en er werden er vaak tientallen opgegraven gedurende een enkele campagne. Hoewel deze campagnes een flinke inbreuk vormden op het nog ongeschonden grafheuvelbestand, leverden zij ook waardevolle informatie op. Beide zaken droegen in combinatie met de archeologische ‘aaibaarheid’ van grafheuvels bij aan het groeiend besef dat deze monumenten dringend bescherming behoefden. Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw werd er dan ook nog zelden gegraven in heuvels. Een positief gevolg van deze ontwikkeling is het gegeven dat iets minder dan 25% van de bekende heuvels inmiddels beschermd is. Anderzijds schuilt daar nu ook juist het probleem.

Nieuw onderzoek

Vanwege het besef dat ons cultureel erfgoed verloren dreigde te gaan door de verregaande ontginning van gebieden en het opgraven van (al dan niet bedreigde) heuvels zijn er inmiddels zo een 636 heuvelterreinen beschermd. Het blijkt echter dat de meeste gegevens die we in het verleden over grafheuvels verzameld hebben tegenwoordig redelijk verouderd zijn, zo is er nauwelijks met moderne technieken veldonderzoek verricht naar deze monumenten of het omringende landschap en lijdt de kennis van mensen die daadwerkelijk bij grafheuvelonderzoek betrokken zijn geweest aan duidelijke vergrijzing. Dit heeft naast een wetenschappelijke pas op de plaats ook gevolgen voor de adequate en zinvolle bescherming van deze monumenten. Een goed voorbeeld vormt het feit dat vaak enkel het heuvellichaam en een beperkte zone daar omheen beschermd zijn, terwijl recent onderzoek aantoont dat deze monumenten vaak deel uitmaken van een veel omvangrijker ritueel landschap dat, nu, dus vaak bescherming ontbeert. Daarnaast staan er nog allerlei wetenschappelijke vragen ter discussie, zoals de relatie tussen de heuvels, de nederzettingen en het al dan niet ontgonnen landschap. Nieuw veldonderzoek en een herinterpretatie van de gegevens die de afgelopen eeuw verzameld zijn is dus noodzakelijk om beide doelen, beheer en wetenschap, te kunnen dienen. Het ‘Ancestral Mounds’ project dat recentelijk aan de Leidse Universiteit is gestart beoogd in samenwerking met de RCE en de gemeente Apeldoorn, door middel van nieuw veldonderzoek dit soort gegevens te verkrijgen. Het Rijksmuseum van Oudheden neemt ook deel aan dit project.

Het RMO in het veld

Nu er vanuit het Rijksmuseum van Oudheden geen opgravingen op eigen bodem meer worden verricht, is het zaak om de vondsten en de collectie als geheel niet te laten fossiliseren. Naast eigen onderzoek naar de collectie is het plaatsen van kennis en vondsten in een hedendaagse onderzoeksvraagstelling eveneens van groot belang. Door de lange graaftraditie binnen het RMO en de vele onderzoeken naar grafheuvels in het bijzonder, biedt het museum een rijke voedingsbodem voor projecten zoals ‘Ancestral Mounds’. Onderzoekers kunnen daardoor in samenwerking met het museum gebruik maken van de vondsten, vondstgegevens, correspondentie en overige documentatie. Dit biedt niet alleen de mogelijkheid wetenschappelijk zowel de oude als nieuwe vondsten te herwaarderen en interpreteren, maar opent ook toekomstige perspectieven voor publiekspresentaties en hernieuwde aandacht voor vaak lang ‘verborgen’ vondsten.

Binnen het ‘Ancestral Mounds’ project zal met name de studie van de culturele biografie van objecten baat hebben bij de gegevens en objecten aanwezig in het RMO. Daarnaast is bijvoorbeeld reeds gestart met een hernieuwd onderzoek naar het graf van ‘de man van Nierssen’. Dit betreft een vroege (1908) bloklichting door J.H. Holwerda van menselijke resten uit een laat-neolithisch graf ten noorden van Apeldoorn.* Binnen de nieuwe intensieve samenwerking tussen de Universiteit en het RMO komen de beste aspecten van zowel oud als nieuw onderzoek samen, om in zoveel mogelijk opzichten nieuw licht op het verleden te werpen. Of, om met Holwerda te spreken als hij het heeft over de grafheuvels op de Veluwe (1909): ‘hoe een tak van dien kolossaal uitgebreiden praehistorischen stam, die ons nog slechts zoo gebrekkig bekend is, ook hier op dit bekoorlijke plekje van de Veluwe zijn natuurleven heeft geleid en hoe ons onderzoek van dit terrein ook het zijne bijbrengen mocht om deze zoo eigenaardige vóór-bevolking van Europa iets nader te leeren kennen.’

Bronnen:

- Bourgeois, Q. 2008: Grafheuvelonderzoek in Nederland: een gedane zaak?, Vitruvius 4, 16-21.
- Holwerda, J.H. 1907: Grafheuvels bij Hoogsoeren, Oudheidkundige Mededelingen van het Rijksmuseum van Oudheden I, 7-10.
- Holwerda, J.H. 1909: Aan het Uddelermeer, Elsevier 19, 320-328, 373-377.
- Louwe Kooijmans, L.P. 1979: Opgraven in Nederland. Het werk van de archeoloog, ’s-Gravenhage (Staatsuitgeverij).
- Verbeek Jr. D./Van Gortel, H. 1888: De geschiedenis der Neder-Veluwe I, Ede en Omstreken, Barneveld.
- Verhart, L. 2001: Dubbelfocus. Nederlandse opgravingsfoto's uit 1900-1940, Abcoude (Uniepers & RMO).
- Verhart, L. 2008: Jan Hendrik Holwerda and the adoption of the three-age system in the Netherlands, in: H. Fokkens/B. Coles/A. van Gijn/J. Kleijne/H. Ponje/C. Slappendel, Between Foraging and Farming, an extended broad spectrum of papers presented to Leendert Louwe Kooijmans, Analecta Praehistorica Leidensia 40, 1-15.

* Zie ook: Het dubbelgraf van Nierssen: ‘een buitengewone kunstgreep’


Click to enlarge
Grafheuvelopgraving in Wageningen, Wageningse Berg. In de zomer van 1927 werden in enkele dagen vijf grafheuvels onderzocht. Door de heuvels werd een twee meter brede sleuf gegraven (foto: RMO B731, bron: Verhart 2001)

Click to enlarge
Grafvondsten uit grafheuvel bij Renkum opgegraven door het RMO in 1936. Te zien zijn een standvoetbeker beker, een vuurstenen mes van Scandinavische vuursteen, een stenen strijdhamer en een vuurstenen bijl. Dit graf dateert omstreeks 2700-2600 v. Chr. (foto: RMO bron: www.geheugenvannederland.nl)

Click to enlarge
Grafvondsten uit grafheuvel bij Helden opgegraven door het RMO in 1942. Te zien zijn een All Over Ornamented beker, een vuurstenen dolk van Franse vuursteen uit Le Grand Pressigny en een vuurstenen pijlpunt. Dit graf dateert omstreeks 2600-2500 v. Chr. (foto: RMO bron: www.geheugenvannederland.nl)

Click to enlarge
Twee bezoekers staan samen met mevrouw Holwerda op een prehistorische grafheuvel in het grafveld van Haarle, Ootmarsum 1917 (foto: RMO B18, bron: Verhart 2001)
Click to enlarge
Grafvondsten uit grafheuvel bij Ede opgegraven door het RMO in 1936. Te zien zijn een Maritieme Klokbeker, vijf vuurstenen pijlpunten, een koperen tongdolk, een stenen polsbeschermer en twee mogelijke vuurslagen. Dit graf dateert omstreeks 2400 v. Chr. (foto: RMO bron: www.geheugenvannederland.nl)


Click to enlarge
Linkerhelft van grafheuvel 5 in Vaassen, Hertenkamp 1909, opgegraven door Holwerda (foto: RMO C211, bron: Verhart 2001)

Click to enlarge
Foto uit 1909 van de (foutive) reconstructie van een grafheuvel met daaronder een koepelvormige ruimte gemaakt van boomstammen (foto: RMO C1949, bron: Verhart 2001)

Click to enlarge
Grafvondsten uit grafheuvel bij Lunteren opgegraven door het RMO in 1958. Te zien zijn een Veluwse Klokbeker, twee vierkanten "kussenstenen" (mogelijk voor metaalbewerking), vier vuurstenen pijlpunten, een koperen pinnetje/priem, een slijpsteentje, een vuurstenen bijltje en fragment van een stenen polsbeschermer. Dit graf dateert omstreeks 2200 v. Chr. (foto: RMO bron: www.geheugenvannederland.nl)

Click to enlarge
Foto uit 1909 van het uitgraven van een grafkuil in een grafheuvel bij Vaassen, Hertenkamp door Holwerda (foto: RMO C218, bron: Verhart 2001)

Click to enlarge
Grafvondsten uit grafheuvel Solscheberg in Garderen opgegraven door het RMO in 1932. Te zien zijn een All Over Ornamented beker, een dolk van de Franse vuursteen uit Le Grand Pressigny, een stenen strijdhamer, een vuurstenen bijl en een snoer met barnstenen kralen. Dit graf dateert omstreeks 2600-2500 v. Chr. (foto: RMO bron: www.geheugenvannederland.nl)

Click to enlarge
Blok van gips met daarin de menselijke skeletresten die Holwerda in 1908 in een grafheuvel bij Niersen aantrof, nu 100 jaar na de opgraving zal dit graf minitieus onderzocht worden. Ondanks de dikke laag stof zijn in ieder geval de resten van twee individuen zichtbaar, het graf dateert mogelijk in het Laat Neolithicum (foto: Luc Amkreutz)

Click to enlarge
Grafvondsten uit grafheuvel bij Renkum opgegraven door het RMO in 1936. Te zien zijn een Standvoetbeker en een vuurstenen mes van Skandinavische vuursteen. Dit graf dateert omstreeks 2800-2700 v. Chr. (foto: RMO bron: www.geheugenvannederland.nl)

Creative Commons Licentie
werk van Ancestral Mounds Project is in licentie gegeven volgens een
Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel 3.0 Nederland licentie.
Gebaseerd op een werk op www.grafheuvels.nl. -